De uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag
vervulde een eeuwenoude belofte van God

Vóór zijn hemelvaart zei Jezus aan zijn apostelen: “En zie, Ik doe de belofte mijns Vaders op u komen. Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge” (Lucas 24:49). “En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze” (Handelingen 1:4, 5).

Door de doop met de heilige Geest zouden de apostelen over enkele dagen bijzondere macht ontvangen.

De naderende vervulling van deze belofte werd door Johannes de Doper aangekondigd.

“Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij, die mij gezonden had om te dopen met water, die had tot mij gezegd: Op wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, deze is het, die met de heilige Geest doopt” (Johannes 1:32, 33).

“Ik doop u met water, doch Hij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan is in zijn hand om zijn dorsvloer geheel te zuiveren en het graan in zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur” (Lucas 3:16, 17). [Zie ook Matteüs 3:11 en Marcus 1:7, 8.]


De uitstorting van de heilige Geest werd in het Oude Testament beloofd.

Ongeveer 700 jaar voor Christus openbaarde God door Jesaja: “Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN. En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid” (Jesaja 59:20, 21). Op het volk van het Nieuwe Verbond blijft Gods Geest voor eeuwig.

Jesaja zei dat het volk in verlatenheid zou verkeren “totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit den hoge” (Jesaja 32:15). God zei dat zijn rechtvaardige (Jesurun) niet moest vrezen, “want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen” (Jesaja 44:3).

Ook door Ezechiël zei God dat Hij zijn Geest zou uitstorten: “Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat zij naar mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig mijn verordeningen onderhouden; zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn” (Ezechiël 11:19, 20). [Zie ook Ezechiël 36:26, 27.]

“En Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort, luidt het woord van de Here HERE” (Ezechiël 39:29).

Deze belofte was voor gans de mensheid: “Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten” (Joël 2:28, 29).


Op de Pinksterdag is deze belofte in vervulling gegaan.

Twee dingen zijn op de Pinksterdag gebeurd, die dikwijls door elkaar worden gehaald: (1) de apostelen hebben macht ontvangen, (2) de Geest werd op alle vlees uitgestort.


De apostelen werden met de heilige Geest gedoopt.

“En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken” (Handelingen 2:1 t/m 4).

Deze tekst beschrijft de uitstorting van de Geest op de apostelen. 'Allen' verwijst naar de apostelen die in het laatste vers van hoofdstuk 1 werden genoemd. De apostelen waren Galileeërs, en volgens vers 7 waren allen die in talen spraken Galileeërs. Vers 14 vermeldt dat Petrus met de elven opstond.

De doop met de heilige Geest gaf de apostelen de goddelijke leiding en de kracht die zij nodig hadden om de gemeente van Christus op te richten. De machtige tekenen en de mogelijkheid om in vele verschillende talen begrepen te worden, bewees dat zij een boodschap van God brachten.


Later werden de eerste bekeerlingen uit de heidenen ook met de heilige Geest gedoopt.

Petrus geeft dit verslag over de bekering van Cornelius en zijn huisgezin: “En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons. En ik herinnerde mij het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden. Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?” (Handelingen 11:15 t/m 17).

De vermelding van Petrus “evenals in het begin ook op ons” geeft te kennen dat dit geen gewone bekering was.

'Hun' slaat op de heidenen en 'ons' op de Joden.

Het doel van deze uitstorting van de Geest was om aan de Joden te bewijzen dat heidenen ook christenen mochten worden. Dit is duidelijk uit de reactie van de Joodse christenen: “En toen zij dit gehoord hadden, kwamen zij tot rust en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken” (Handelingen 11:18). Zij begrepen dat deze uitstorting voor alle heidenen was en niet slechts voor het huisgezin van Cornelius. Zoals op de Pinksterdag, was dit een eenmalige gebeurtenis met eeuwige gevolgen.

Later verwijst Petrus terug naar deze gebeurtenis als de tijd toen God aan de heidenen de heilige Geest heeft gegeven: “En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende” (Handelingen 15:7 t/m 9).

Geen ander geval van doop met de heilige Geest komt in het Nieuwe Testament voor.

De doop met de heilige Geest diende om Gods koninkrijk in te luiden, eerst voor de Joden en dan voor de heidenen. In het eerste geval werden de apostelen gemachtigd, in het tweede geval heeft God bevestigd dat de heidenen 'zonder enig onderscheid' Gods koninkrijk konden binnengaan.


Op de Pinksterdag werd de heilige Geest op alle vlees uitgestort.

Onder het oude verbond werden bepaalde mensen met de heilige Geest vervuld, maar de Geest was niet voor iedere gelovige beschikbaar. Zelfs tijdens de dienst van Jezus was de Geest nog niet gekomen: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was” (Johannes 7:38, 39).

De Geest kon niet komen voor Jezus verheerlijkt werd. Daarom zei Petrus op de Pinksterdag: “Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte van de heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort” (Handelingen 2:33).

De apostelen werden op de Pinksterdag met de heilige Geest gedoopt. Maar er gebeurde nog iets. De heilige Geest werd ook op alle vlees uitgestort: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees” (Handelingen 2:17).

Wat wil dit zeggen? Hebben alle mensen op aarde de heilige Geest op de Pinksterdag ontvangen? Zeker niet. Maar doordat de Geest op de Pinksterdag is gekomen, werd de gave van de heilige Geest voor alle mensen beschikbaar. Vanaf die dag kan iedereen die tot Christus komt, het water des levens bekomen: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet” (Openbaring 22:17).

Hoewel hij het zelf niet volledig begreep, verkondigde Petrus op de Pinksterdag dat de belofte ook voor de heidenen was: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal” (Handelingen 2:39). Door Jesaja 57:19 en Efeziërs 2:11, 17 weten wij dat 'allen die verre zijn' naar de heidenen verwijst.

Maar dit was moeilijk voor Joden te aanvaarden, zelfs voor Petrus. Dus heeft God dit bevestigd door de heilige Geest op de eerste bekeerlingen uit de heidenen uit te storten (Handelingen 11:15 t/m 17; 15:7 t/m 9).

Vanaf de uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag, is de gave van de heilige Geest voor allen beschikbaar die in de naam van Jezus tot vergeving van zonde worden gedoopt (Handelingen 2:38, 39). De uitstorting op het huisgezin van Cornelius bevestigde dat de gave van de heilige Geest ook voor heidenen beschikbaar is (Handelingen 11:18).

Vanaf de Pinksterdag is de heilige Geest bij ons gebleven, zoals Jezus had beloofd: “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn” (Johannes 14:16, 17).

Daarom werd, na de bekering van Cornelius, de heilige Geest nooit meer zoals op de Pinksterdag uitgestort. De Geest is gekomen en blijft met ons voor eeuwig (Johannes 14:16)!

Wanneer sommigen nu God vragen om de heilige Geest uit te storten zoals op de Pinksterdag, is dat zoiets als God vragen Jezus uit de dood op te wekken! Hij is al opgestaan, Hij is al terug naar Zijn Vader gegaan, en Hij heeft de heilige Geest al op alle vlees uitgestort!


Wat is de gave van de Heilige Geest?

De heilige Geest wordt aan iedere christen gegeven: “En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft” (1 Johannes 3:24). “Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft” (1 Johannes 4:13).

“Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook zijn heilige Geest geeft” (1 Tessalonicenzen 4:7, 8).

God heeft “zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven” (2 Korintiërs 1:22). “God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft” (2 Korintiërs 5:5). Dit is het fundament van onze hoop: “En de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is” (Romeinen 5:5).

De gave van de heilige Geest door alle christenen ontvangen, mag niet met de 'gaven' (meerfout) van de heilige Geest verward worden, die bepaalde christenen in de eerste eeuw door handoplegging van de apostelen hebben ontvangen (Handelingen 5:12; 8:18; 2 Timoteüs 1:6).

Ontvangst van de gave van de heilige Geest stelt ons niet in staat om tekenen te doen zoals het spreken in talen die wij niet geleerd hebben of het opwekken van doden.

Wel hebben wij 'het levend water' in ons (Johannes 7:37 t/m 39). Wij hebben 'de vertroosting van de heilige Geest' (Handelingen 9:31). 'Door zijn Geest in de inwendige mens' worden wij 'met kracht gesterkt' (Efeziërs 3:16).


Hoe ontvangen wij deze belofte?

Vanaf de Pinksterdag is de Geest voor allen beschikbaar. Maar hoe ontvang ik de Geest?

Toen de toehoorders op de Pinksterdag Petrus vroegen wat zij moesten doen, zei hij niet dat zij God moesten vragen de Geest op hen uit te storten, zoals Hij die op de apostelen had uitgestort!

“En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de heilige Geest ontvangen. Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal” (Handelingen 2:38, 39). Bij de doop ontvangen wij de gave van de heilige Geest.

Ook lezen wij niet dat de 3000, die op de Pinksterdag werden gedoopt, in tongen spraken of tekenen en wonderen deden.

Na de Pinksterdag werden de tekenen en wonderen door de handen van de apostelen gedaan. “En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen” (Handelingen 2:43). “En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk” (Handelingen 5:12).

Anderen, die later tekenen deden, kregen dit vermogen “door de handen der apostelen” door het opleggen van hun handen: “Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven” (Handelingen 8:18). [Zie ook Handelingen 6:6; 19:6; 2 Timoteüs 1:6.]

De 3000 hebben wel de gave van de heilige Geest ontvangen, toen zij zich bekeerden en gedoopt werden in de naam van Jezus tot vergeving van hun zonden! [Zie ook Handelingen 5:32; Romeinen 5:5; 1 Korintiërs 2:12; 2 Korintiërs 1:22; 5:5; 1 Tessalonicenzen 4:8; 1 Johannes 3:24; 4:13.]

Paulus verklaart hoe wij de Geest ontvangen: “Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland” (Titus 3:4 t/m 6). De Geest wordt over ons uitgestort bij de doop, 'het bad der wedergeboorte'.

“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt” (1 Korintiërs 12:13).

Wanneer wij het goed nieuws van redding door Christus horen, wanneer wij in Hem als de verrezen Zoon van God geloven, wanneer wij ons van onze zonden bekeren, en wanneer wij tot het lichaam van Christus gedoopt worden, ontvangen wij de gave van de heilige Geest.

“Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave!” (2 Korintiërs 9:15). Vanaf de uitstorting op de Pinksterdag, is door Christus de gave van de heilige Geest voor allen beschikbaar. “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal” (Handelingen 2:39). Amen.

Roy Davison

De schriftgedeelten in dit artikel zijn uit de NBG-1951 Vertaling,
© Nederlands Bijbelgenootschap (tenzij anders aangeduid).

Published in The Old Paths Archive
(http://www.oldpaths.com)