Is vleselijk Israël nog Gods volk? In de christenheid is deze een veel besproken vraag. In Genesis 17:9-14 lezen wij over een teken van het verbond dat God aan Abraham heeft
gegeven: "Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij
en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en
uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid
laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. Wie acht dagen oud
is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren
is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is. Wie in uw
huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn
verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond. En de onbesnedene, de man namelijk, die het
vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten:
hij heeft mijn verbond verbroken." Hieruit vernemen wij dat vleselijke afkomst van Abraham op zichzelf niet voldoende is om
aan het verbond deel te hebben. Een onbesnedene is toch niet van Gods volk, al is hij en
afstammeling van Abraham. Niet alleen de Israëlieten, ook andere volkeren die van Abraham afstammen (de
afstammelingen van Ismaël en van Esau b.v.) vereisen nu nog steeds de besnijdenis om als
volksgenoot erkend te worden. Toch maken zij geen deel uit van Gods uitverkoren volk al hebben
ze de besnijdenis, omdat God Isaak en Jakob als dragers van de belofte uitverkoren heeft. In verband met de besnijdenis lezen wij dan in Filippenzen 3:3 iets heel merkwaardigs:
"Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen
en niet op vlees vertrouwen." In deze tekst is de uitdrukking 'de besnijdenis' een aanduiding voor Gods uitverkoren volk.
Doordat de Israëlieten dit teken van het verbond handhaafden werden zij als volk "de besnijdenis"
genoemd. In Romeinen 3:29,30 lezen wij: "Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der
heidenen? Zeker, ook der heidenen. Indien er namelijk één God is, die de besnedenen
rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof." [Zie ook Handelingen
10:45; 11:2; Galalen 2:7-9; Kolossenzen 4:11; Titus 1:10.] De nakomelingen van Abraham mogen in lichamelijke zin "de besnijdenis" genoemd
worden. Volgens Paulus zijn het evenwel de christenen die nu de echte besnijdenis zijn, het ware
volk van God! Dit wordt ook in Efeziërs 2:11-13 geleerd: "Bedenkt daarom dat gij, die vroeger
heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werd door de zogenaamde besnijdenis,
die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart,
uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en
zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij
gekomen door het bloed van Christus." Vroeger waren ze heidenen naar het vlees, maar door het bloed van Christus hebben zij
het burgerrecht van Israël gekregen! Paulus zegt dat ze onbesneden genoemd werden door de
zogenaamde besnijdenis. M.a.w. de vleselijke besnijdenis is de echte niet. Zelfs in het Oude Testament werd dit geleerd: "Zie, de dagen komen, luidt het woord des
HEREN, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen die toch de voorhuid hebben; over
Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen, die zich het haar rondom wegscheren,
die in de woestijn wonen; want alle volkeren zijn onbesneden, maar het gehele huis van Israël
bestaat uit onbesnedenen van hart" (Jeremia 9:25,26). Welk volk is nu "de besnijdenis"? Zowel Joden als niet-Joden die tot Christus gedoopt
zijn, hebben de ware besnijdenis ontvangen: "In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen
werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de
besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop" (Kolossenzen 2:11). Zoals wij in Genesis 17 gelezen hebben, is lichamelijke afkomst van Abraham op zichzelf
niet voldoende om van Gods volk te zijn. Men moet ook besneden zijn. Ook vreemdelingen
konden deel aan het verbond hebben door zich te laten besnijden. Na de komst van Christus is de christelijke doop de ware besnijdenis. Dit betekent dat een
Jood niet meer van Gods volk is - al is hij lichamelijk besneden - tenzij hij Jezus aangenomen heeft
en zich heeft laten dopen. In de eerste eeuw waren het net de ongelovige Joden die de ijverigste en wreedste
vervolgers van de christenen waren. De Joden waanden zich nog Gods volk te zijn, maar Jezus erkende hen niet. In zijn brief
aan de gemeente te Smyrna sprak Hij over "de laster van hen, die zeggen, dat zij Joden zijn, doch
het niet zijn, maar een synagoge des satans" (Openbaring 2:9). De gemeente te Filadelfia troostte
Hij met de belofte: "Zie, Ik geef sommigen uit de synagoge des satans, van hen, die zeggen dat
zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen en zich
nederwerpen voor uw voeten, en erkennen, dat Ik u heb liefgehad" (Openbaring 3:9). Een nakomeling van Jakob, die zich een Jood noemt, is een leugenaar tenzij hij Jezus als
de Messias heeft aanvaard. In Romeinen 9:7 zegt Paulus: "Niet allen, die van Israël afstammen,
zijn Israël." Gods volk bestaat nu uit hen die daartoe geroepen zijn: "En dat zijn wij, die Hij geroepen
heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal
niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. En het zal geschieden ter plaatse,
waar [tot hen] gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de
levende God" (Romeinen 9:24-26). In 1 Korintiërs 10:18 spreekt Paulus van "het Israël naar het vlees" om een onderscheid
te maken tussen de lichamelijke nakomelingen van Jakob en het ware Israël Gods. Gods volk
bestaat nu uit alle gelovigen die tot Christus zijn gedoopt. Zij zijn de ware erfgenamen van de
verbonden der belofte, zoals wij in Galaten 3:26-29 lezen: "Want gij zijt allen zonen van God,
door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus
bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk:
gij allen zijt immers één in Christus Jezus, en naar de belofte erfgenamen." In Galaten 6:15,16 vervolgt Paulus: "Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent
niets, maar of men een nieuwe schepping is. En allen, die zich naar die regel zullen richten - vrede
en barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël Gods." [Opmerking: Het woord 'ook' komt in de grondtekst niet voor. Het woord 'en' verbindt
twee verschillende aanduidingen voor dezelfde mensen. Nog een voorbeeld van een dergelijk
gebruik vinden we in 2 Korintiërs 1:3 waar we lezen van 'de God en Vader van onze Here Jezus'.] Aangezien Paulus net verklaard heeft dat lichamelijk besneden-zijn niets betekent, kan
hij onmogelijk met 'het Israël Gods' vleselijk Israël bedoelen. Hij verduidelijkt gewoon dat wie in
Christus een nieuwe schepping is, de zegen ontvangt die voor het Israël Gods weggelegd is. Zodoende gaat de profetie van Micha 5:2 in vervulling: "En gij, Betlehem, land van Juda,
zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die
mijn volk Israël weiden zal" (Matteüs 2:6). Nataniël heeft Jezus als de Christus herkend: "Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning
van Israël" (Johannes 1:50,51). Van welk volk is Jezus Koning? Van Israël naar het vlees? Zeker
niet, want toen Jezus de goede belijdenis voor Pilatus aflegde (1 Timoteüs 6:13) en bekende dat
Hij Koning was (Johannes 18:37) zei Hij ook: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld" (Johannes
18:36). Mozes had Israël al gewaarschuwd dat iedere ziel die niet naar de Profeet zou luisteren,
uit het volk zou worden uitgeroeid (Deuteronomium 18:15,18,19). "Mozes toch heeft gezegd:
De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen
in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet
hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid" (Handelingen 3:22,23). Jezus heeft alle Joden bevolen zich te laten dopen (Marcus 16:15,16). De doop is nu de
ware besnijdenis (Kolossenzen 2:11). De vleselijke besnijdenis betekent niets (Galaten 6:15). Zelfs
op basis van de oorspronkelijke belofte van God in Genesis 17 maakt nu een Jood die niet
gedoopt is (wat wil zeggen dat hij niet besneden is) geen deel uit van Gods volk. "Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus
roemen en niet op vlees vertrouwen" (Filippenzen 3:3). Maar wat van de velen die zich christen noemen terwijl ze de doop niet als noodzakelijk
beschouwen om van Gods volk te zijn? Jezus heeft ook de niet-joden bevolen zich te laten dopen
(Marcus 16:15,16)! Ook voor hen is de doop de ware besnijdenis (Kolossenzen 2:11). Hoe
kunnen zij dan zich wanen van Gods volk te zijn wanneer zij onbesnedenen zijn doordat zij zich
nooit bijbels hebben laten dopen?
Roy Davison
De schriftgedeelten in dit artikel zijn uit
de Nieuwe Vertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 1951
(tenzij anders aangeduid).